Advocatenkantoor Dirk De Keuster

Actualiteit

Rechterlijke macht wordt strenger bij onteigeningen

In het rechtskundig weekblad van 16 november 2013 (jaargang 77 nr. 11 2013-2014) worden twee vonnissen gepubliceerd waarbij de rechter telkens de onteigening bij hoogdringendheid op grond van de onteigeningswet van 26 juli 1962 heeft afgewezen. De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel heeft in een vonnis van 3 mei 2012 geoordeeld dat op grond van de wet van 29 juni 1991 op de motivering van bestuurshandelingen het onteigeningsbesluit expliciet moet vermelden waaronder onmiddellijk inbezitstelling noodzakelijk voor het algemeen belang. Aan deze voorwaarde was niet voldaan als in 2010 een onteigeningsbesluit wordt genomen met het oog op het aanleggen van een nieuw fietspad terwijl voor hetzelfde project in 2003 al een onteigeningsbesluit was genomen en intussen al een fietspad bestaat en de onteigende overheid de zaak voor de rechtbank meermaals heeft doen uitstellen. Aangezien de noodzaak tot onmiddellijke inbezitstelling van de onteigende grond niet werd aangetoond en niet werd gemotiveerd oordeelde de rechtbank dat er geen aanleiding was om deze onteigeningsrechtspleging op grond van de wet van 26 juli 1962 verder te zetten. In een vonnis van 4 juni 2012 heeft de vrederechter te Westerlo eveneens geoordeeld dat de onteigening bij hoogdringendheid met toepassing van de wet van 26 juli 1962 wettelijk niet mogelijk was. De vrederechter oordeelde dat deze onteigeningswet een uitzonderingsprocedure betreft en derhalve uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. De rechter mag de onteigening niet toelaten als deze enkel ter voldoening van private belangen wordt doorgevoerd. Aan deze vereiste van het algemeen belang is niet voldaan wanneer een geplande ontsluitingsweg waarvoor de onteigening plaats vindt er in werkelijkheid toe strekt aan de werknemers en vrachtwagenbestuurders van een onderneming een tracéverkorting te bezorgen. Lees verder

Grondwettelijk Hof streng voor integratiespoor

De Raad van State oordeelde in het arrest nr. 214.791 van 12 augustus 2011 als volgt: ‘ Deze vaststelling noopt de Raad van State er toe om het besluit van de Vlaamse regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan, te dezen met toepassing van artikel 159 van de Grondwet in zoverre wegens niet overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet buiten toepassing te laten. De opmerking van de eerste tussenkomende partij dat artikel 159 van de Grondwet niet kan worden toegepast door de vergunningverlenende overheid doet aan deze vaststelling geen afbreuk . Op basis van dit arrest is komen vast te staan dat gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die tot stand zijn gekomen met toepassing van het integratiespoor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden en derhalve onwettig zijn. De Vlaamse decreetgever heeft een noodgreep willen doorvoeren door de goedkeuring van het nieuwe artikel 7.4.1./2 Vlacoro in het artikel 35 van het decreet van 11 mei 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en wijziging van de regelgeving wat de opheffing van het agentschap Ruimtelijke Ordening, betreft. Dit artikel voorzag in een decretale geldigverklaring van de ruimtelijke uitvoeringsplannen die met toepassing van het integratiespoor waren vastgesteld. In het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 114/2013 van 31 juli 2013 heeft het Grondwettelijk Hof echter geoordeeld dat het artikel 7.4.1/2 van Vlacoro de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Hierop heeft het Grondwettelijk Hof deze bepaling vernietigd. Het Grondwettelijk Hof heeft met het arrest nr. 114/2013 bevestigd dat de ruimtelijke uitvoeringsplannen waarbij toepassing is gemaakt van het integratiespoor, onwettig zijn en dat deze plannen opnieuw zullen moeten worden goedgekeurd zonder toepassing te maken van het integratiespoor. Hierdoor zullen 50 ruimtelijke uitvoeringsplannen opnieuw moeten worden goedgekeurd aangezien al deze plannen onwettig geworden zijn door het arrest van het Grondwettelijk Hof. Lees verder

Rechter kan evenredigheidstoets doorvoeren bij beoordeling herstelvordering

Het Hof van Beroep te Gent oordeelde in een arrest van 17 februari 2012 (NJW nr. 283, 5 juni 2013) dat de rechter voor wie de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur een herstelvordering inleidt; deze herstelvordering mag toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. De beroepsrechters oordeelden dat in casu niet voldaan was aan het evenredigheidsbeginsel en wezen de herstelvordering af. Het Hof van Beroep te Gent volgt hiermee de rechtspraak van het Hof van cassatie (cass. 6 november 2012, P.12.0489.N) waarbij Cassatie wel stelde dat deze toetsing slechts marginaal is. Lees verder

overheid kan aansprakelijkheid niet beperken in reglement

Het Hof van cassatie heeft in een arrest van 8 maart 2012 (A.R. C..0027.N - Pas. 2012, 540, concl. G. DUBRULLE) beslist dat een reglement waarbij een openbare dienstverstrekker als bewaarder van een gebrekkige zaak zijn aansprakelijkheid uitsluit of beperkt, in strijd is met de hogere rechtsnorm van artikel 1384 B.W. De rechter dient derhalve dit reglement buiten toepassing te stellen op grond van artikel 159 G.W. Het feit dat de bepaling van artikel 1384 B.W. behoort tot het aanvullend recht, doet hieraan geen afbreuk. Er kan enkel bij overeenkomst worden afgeweken van een bepaling van suppletief recht. Lees verder

Wegeniswerken kunnen overmacht inhouden

Het Hof van Beroep van Gent heeft aanvaard dat wegeniswerken een toepassing van het beginsel van overmacht kunnen inhouden. In concreto betrof het de deelname van een onderneming aan de open bedrijvendrag. Omwille van de wegeniswerken was de betrokken onderneming zeer moeilijk bereikbaar. Zij annuleerde dan ook haar deelname aan de open bedrijvendag. Volgens de organiserende vzw bleef echter de deelnamevergoeding onverminderd verschuldigd. Het Hof van Beroep te Gent onderzoekt hierbij de dubbele voorwaarde voor de toepassing van overmacht, zijnde enerzijds de gebeurtenis of de omstandigheid die de nakoming van de verbintenis door de schuldenaar onmogelijk maakt; anderzijds de afwezigheid van een fout in hoofde van de schuldenaar. Voor wat betreft de eerste voorwaarde verwijst het Hof naar het artikel van prof. Van Oevelen ("overmacht en imprevisie in het Belgische Contractenrecht" TPR 2008, 609) waarbij prof. Van Oevelen het standpunt inneemt dat de onmogelijkheid moet worden beoordeeld aan de hand van het criterium van de normaal zorgvuldige en omzichtige contractant. Er wordt in het arrest derhalve toepassing gemaakt van de theorie van de redelijke onmogelijkheid en niet van de absolute onmogelijkheid. De vordering van de vzw werd dan ook afgewezen. Gent, 2 april 2012, NJW 2013, 32. Lees verder
RSS
First2223242527293031Laatste

Oplossingsgericht in:

  • Overheidsopdrachten en PPS
  • Bouw (ruimtelijke ordening, onteigening, aanneming)
  • Voedselveiligheid en medisch recht
  • Strafrecht

Duidelijke en doelgerichte aanpak in een heldere taal.

Advies, onderhandeling, bemiddeling en - indien nodig - procedure.