Katje Lee : wil van het FAVV is niet noodzakelijk de wet – Rechtbank van eerste aanleg oordeelt terecht dat de noodzakelijke motivering ontbreekt

In de praktijk merken we bij het FAVV vaak een houding waarbij het FAVV van oordeel is dat het voldoende is dat het handelt in het algemeen belang om om het even welke maatregel te kunnen opleggen omdat de wet dit toelaat. Deze houding van het FAVV is jurisich niet correct. Zelfs indien de wet een bepaalde maatregel toelaat, moet het FAVV steeds bij het nemen van de maatregelen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zorgvuldigheid, motivering, proportionaliteit) toepassen. Hierbij is het essentieel dat het FAVV een degelijke en onderbouwde risico-analyse opstelt voor de volksgezondheid en rekening houdt met alle argumenten en adviezen. Deze risico-analyse moet terug te vinden zijn in de beslissing en zorgvuldig zijn opgemaakt. Enkel indien deze risico-analyse een bepaalde maatregel verantwoordt, kan deze rechtsgeldig worden genomen. Het komt toe aan de rechter om hierop toezicht uit te oefenen.

Daarnaast hebben we al vastgesteld dat het FAVV rechterlijke beslissingen gewoon naast zich neer legt (zie o.m. R.v.St. nr. 245.230 van 24 juli 2019). Dit is onaanvaardbaar in een rechtsstaat.

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen heeft in zijn vonnis van 5 juni 2020 het FAVV teruggefloten. De Rechtbank was van oordeel dat het inderdaad de taak is van het FAVV om maatregelen te nemen om de volksgezondheids te beschermen. Bij het kiezen van de gepaste maatregelen beschikt het FAVV over een zekere discretionaire bevoegdheid. De wetgeving voorziet echter in verschillende mogelijke maatregelen maar duitd hierbij aan dat de euhanasie op de laatste plaats komt. Bij het uitoefening van de keuzebevoegdheid moet het FAVV zich houden aan de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie Niki Leys, “Rechtbank van eerste aanleg fluit FAVV terug over kater Lee”, Juristenkrant nr. 412, 24 juni 2020.).

De Raad van State had eerder wel reeds een schorsing bij UDN afgewezen (zie R.v.St. nr. 247.513 van 8 mei 2020.