Het Hof van Justitie stelt in een arrest van 8 mei 2025 dat “no conflict of intrest” – regel ook geldt voor een MER-screening en neemt derhalve hetzelfde standpunt in als de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het Wasserij-arrest. Vraag is of de oplossing van de decreetgever zal volstaan.
Wasserij-arrest – Richtlijn conforme interpretatie
De Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) sprak zich op 6 oktober 2022 uit in het zogeheten ‘Wasserij-arrest’ (RvVb-A-2223-0108) over een vraag: mag een vergunningverlenende overheid die zelf initiatiefnemer en aanvrager is van een vergunningsaanvraag, deze aanvraag ook zelf behandelen in geval van een MER-screening?
Op dat moment luidde artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet als volgt:
“Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
2° het college van burgemeester en schepenen is initiatiefnemer en aanvrager van het project.
Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 de deputatie bevoegd is, is evenwel de Vlaamse Regering bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden:
1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen;
2° de deputatie is initiatiefnemer en aanvrager van het project.”
Volgens het ‘Wasserij-arrest’ – en latere uitspraken in dezelfde lijn – stelde de RvVb dat deze bepaling niet enkel geldt bij MER-plicht, maar ook voor screeningsplichtige projecten waarvoor op het moment van de aanvraag geen duidelijke zekerheid bestaat dat een project-m.e.r. niet vereist is. De deputatie zou in dat geval bevoegd zijn om op te treden indien het college van burgemeester en schepenen initiatiefnemer is.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen besloot hiertoe op grond van een interpretatie van artikel 9 bis van richtlijn 2011/92/EU.
Cassatieberoep bij de Raad van State – prejudiciële vraag
Tegen het ‘Wasserijarrest’ werd cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Deze laatste besliste in het arrest nr. 259.259 van 26 maart 2024 om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Deze luidde als volgt:
“Dient artikel 9bis van richtlijn 2011/92/EU […] zo te worden uitgelegd dat, in de gevallen waarin de bevoegde instantie tevens de opdrachtgever is, de passende scheiding tussen conflicterende functies […] eveneens moet worden aangebracht voor de beoordeling of de in artikel 4, lid 2, van de richtlijn bedoelde projecten onderworpen worden aan de beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn?”
Decreetgever grijpt in
De decreetgever besliste om niet te wachten op het arrest van het Hof van Justitie. In het decreet van 19 april 2024 tot wijziging van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wat de uitvoering van de taken voor de project-MER-screening betreft (B.S. 10 mei 2024) keurde het Vlaams Parlement enkele wijzigingen aan het Omgevingsvergunningsdecreet goed in een poging om tegemoet te komen aan het Wasserij-arrest.
De decreetgever benadrukte allereerst de onafhankelijkheid en neutraliteit van een gemeentelijke, provinciale en gewestelijke omgevingsambtenaar. De actieve en constructieve wijze die zij moeten aannemen ten aanzien van hun bestuur doet geen afbreuk aan hun autonomie. Op die manier tracht de decreetgever te benadrukken dat er geen sprake kan zijn van belangenconflicten in de zin van artikel 9bis van de MER-richtlijn wanneer een gemeentelijke omgevingsambtenaar moet oordelen over de MER-screeningsnota bij een project waarvan de gemeente zelf de initiatiefnemer is.
Het artikel 15/1 van het Omgevingsvergunningsdecreet werd vervolgens aangevuld:
“Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als louter een project-MER-screening aan de aanvraag wordt toegevoegd. In dat geval is artikel 20, tweede lid, respectievelijk artikel 39, tweede lid, van toepassing.”
Op basis van deze bepaling konden gemeenten opnieuw zelf de omgevingsvergunning verlenen voor gemeentelijke projecten indien hiervoor enkel een MER-screening noodzakelijk was.
Antwoord van het Hof van Justitie
Op 8 mei 2025 gaf het Hof van Justitie een antwoord op de prejudiciële vraag van de Raad van State. Hierbij stelde het Hof onder meer:
“Artikel 9 bis van richtlijn 2011/92/EU […] moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de instantie die bevoegd is om te bepalen of […] een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, tevens de opdrachtgever van het betrokken project is, er in elk geval een passende scheiding moet worden aangebracht tussen de conflicterende functies bij het uitvoeren van die taak.”
Deze passende scheiding moet op zodanige wijze worden ingericht dat een administratieve eenheid binnen de instantie die bevoegd is voor die beoordeling, beschikt over een werkelijke autonomie, wat met name inhoudt dat zij beschikt over eigen administratieve middelen en personeel en aldus in staat is om haar taak op objectieve wijze te vervullen [zie naar analogie arrest van 20 oktober 2011, Seaport (NI) e.a., C‑474/10, EU:C:2011:681, punt 43].”
De bepalingen van artikel 9bis zijn derhalve ook van toepassing op de screeningprocedure. Om te voldoen aan de passende scheiding dient de instantie die moet oordelen over de screening te beschikken over een werkelijke autonomie. Dit houdt in dat zij beschikt over eigen administratieve middelen en personeel.
Gelet op dit antwoord van het Hof van Justitie zal de Raad van State de cassatievoorziening tegen het Wasserij-arrest moeten afwijzen.
Opnieuw rechtsonzekerheid – decreetgever zal moeten bijsturen
Het arrest van het Hof van Justitie neemt een strikter standpunt in dan de Vlaamse decreetgever met betrekking tot de vereiste autonomie van de administratieve eenheid die moet oordelen. Het Europees recht primeert echter op het Vlaamse recht. De oplossing van de decreetgever om de autonomie van de gemeentelijk en provinciale ambtenaar te benadrukken, lijkt niet te volstaan tegen de vereiste van eigen administratieve middelen en personeel. Minstens zal deze autonomie verder decretaal moeten versterkt worden. Dit is echter niet onoverkomelijk.
De aanvulling in artikel 15/1 van het Omgevingsdecreet lijkt derhalve toch nog onvoldoende in het licht van artikel 9bis van de Richtlijn 2011/92/EU. Hierdoor ontstaat er opnieuw rechtsonzekerheid.
De decreetgever is derhalve terug aan zet. Er zal opnieuw een rondje moeten gedraaid worden.