Op 1 januari 2025 trad het nieuwe Boek 6 BW in werking. Een lang verwachte evolutie in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, die bovendien ook nodig was. Het oude recht dateerde immers van 1804. De invoering van het nieuwe aansprakelijkheidsrecht is cruciaal voor de modernisering van het Belgische recht. Voordien werd deze rechtstak geregeld in slechts zes artikelen. Hierdoor had deze rechtstak voornamelijk invulling gekregen door de rechtspraak. Het gebrek aan wetsbepalingen strookte niet met het aantal betwistingen. Daarom werd door de Commissie voor de hervorming van het aansprakelijkheidsrecht een wetsvoorstel ingediend, dat op 2 februari 2024 in de Kamer werd goedgekeurd. De legendarische bepalingen van artikel 1382 e.v. oud BW zijn dus inmiddels verleden tijd. Wel blijft het oude recht gelden voor feiten voorafgaand aan de inwerkingtreding van Boek 6 BW. Het nieuwe recht is onmiddellijk van toepassing op feiten die zich na deze datum voordoen en aanleiding geven tot aansprakelijkheid. De fundamentele voorwaarden, namelijk fout – schade – causaal verband, blijven gelden.
In dit artikel gaan we de invloed na van Boek 6 BW op het overheidsaansprakelijkheidsrecht.
Uitgangspunt : het overheidsaansprakelijkheid blijft hetzelfde
Sinds het gekende Flandria-arrest van het Hof van Cassatie van 5 november 1920 zijn alle onderdelen van de uitvoerende macht, waaronder de lokale besturen, aan dezelfde aansprakelijkheidsregels onderworpen als particulieren. Het Anca-arrest van 19 december 1991 breidde dit principe uit naar de rechterlijke macht. Indien een overheid een onrechtmatige daad begaat en iemand hierdoor schade lijdt, dan kan diegene zijn schade verhalen bij deze overheid. Enkele voorbeelden zijn een onterechte vergunning of onwettige onteigening.
De Memorie van Toelichting wijst erop dat het wetsontwerp geen specifieke regels over de overheidsaansprakelijkheid bevat. Boek 6 BW laat alles bij het oude.
In dit artikel willen we toch enkele nuanceringen bij dit principe plaatsen.
Nieuwe wettelijke bepaling over aansprakelijkheid van de organen en de leden van de organen.
Artikel 6.15, tweede lid BW bevat een specifieke regel over de aansprakelijkheid van rechtspersonen van publiek recht voor zijn organen en leden van zijn organen. De bepaling luidt als volgt:
“De rechtspersoon van publiek recht is foutloos aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door zijn organen of de leden van zijn organen die geen deel uitmaken van zijn personeel aan derden tijdens en naar aanleiding van de uitoefening van hun functie, als gevolg van hun fout of een ander tot aansprakelijkheid leidend feit.”
Deze bepaling vult de wettelijke regeling aan opgenomen in wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen.
Afschaffing van het samenloopverbod en de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent
Het meest vernieuwende (of controversiële) aspect van Boek 6 BW betreft het afscheid van het verbod van samenloop tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid en hiermee samenhangend de quasi-immuniteit van de hulppersonen van de medecontractant. Deze principes waren ingevoerd door het Hof van Cassatie in het stuwadoorsarrest van 7 december 1973.
Hiermee maakt Boek 6 BW korte metten. Artikelen 6.2 en 6.3 BW zijn duidelijk:
“Art. 6.2. Niet-exclusieve werking
Tenzij de wet of het contract anders bepaalt, belet de toepassing van een bepaling van dit boek niet de toepassing van andere bepalingen van dit boek, van andere delen van dit Wetboek of van andere wetten.
Art. 6.3. Buitencontractuele en contractuele aansprakelijkheid
-
- 1. Tenzij de wet of het contract anders bepaalt, zijn de wettelijke bepalingen inzake buitencontractuele aansprakelijkheid van toepassing tussen medecontractanten.
Indien de benadeelde echter op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis vordert van zijn medecontractant, kan deze medecontractant de verweermiddelen inroepen die voortvloeien uit zijn contract met de benadeelde, uit de wetgeving inzake bijzondere contracten en uit de bijzondere verjaringsregels van toepassing op het contract.
Dit is niet het geval bij vorderingen tot schadeloosstelling voor schade als gevolg van een aantasting van de fysieke of psychische integriteit of van een fout begaan met het opzet schade te veroorzaken.
-
- 2. Tenzij de wet of het contract anders bepaalt, zijn de wetsbepalingen inzake buitencontractuele aansprakelijkheid van toepassing tussen de benadeelde en de hulppersoon van zijn medecontractanten.
Indien de benadeelde echter op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid schadeloosstelling voor schade veroorzaakt door de niet-nakoming van een contractuele verbintenis vordert van een hulppersoon van zijn medecontractant, kan deze laatste dezelfde verweermiddelen inroepen als zijn opdrachtgever op grond van paragraaf 1 kan inroepen met betrekking tot de verbintenissen aan de uitvoering waarvan de hulppersoon meewerkt.
De hulppersoon kan eveneens de verweermiddelen inroepen die hij zelf in dit verband tegen zijn medecontractant kan inroepen op grond van paragraaf 1.”
Vanaf 1 januari 2025 is er samenloop van contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid mogelijk volgens artikelen 6.3 BW. De regeling inzake buitencontractuele aansprakelijkheid voor medecontractanten geldt voortaan ook ten aanzien van hulppersonen van de medecontractant. Hierdoor komt de quasi-immuniteit te vervallen.
Toch heeft de wetgever nog beschermingsmogelijkheden gelaten indien een medecontractant of zijn hulppersoon wordt aangesproken voor buitencontractuele aansprakelijkheid, zijnde:
- De bepalingen uit het contract van de opdrachtgever met de benadeelde;
- De bepalingen uit de wetgeving inzake bijzondere contracten die van toepassing zijn op voornoemd contract;
- De bepalingen uit de wetgeving inzake de bijzondere verjaringsregels die van toepassing zijn op voornoemd contract;
- De bepalingen uit het contract tussen de opdrachtgever en de hulppersoon;
- Voor bestuurders blijft het wettelijk regime inzake bestuurdersaansprakelijkheid gelden (zie WVV);
- Voor werknemers blijft bovendien de aansprakelijkheidsbeperking uit artikel 18 van de Arbeidsovereenkomstenwet gelden.
Op deze verweermiddelen bestaan uitzonderingen:
- Wanneer er schade is als gevolg van de aantasting van de fysieke of psychische integriteit. Deze laatste werd toegevoegd bij amendement;
- Wanneer de fout begaan werd met het opzet de schade te veroorzaken.
Deze regeling is bovendien van aanvullend recht zoals bepaald in artikel 6.2 BW. Zowel de wet als de partijen in hun contract kunnen bijgevolg in een andere regeling voorzien. Boek 6 BW sluit hierbij aan bij het heersende recht waarin geldt dat partijen bij contract hun buitencontractuele aansprakelijkheid in bepaalde mate kunnen uitsluiten of beperken. Dit wordt eveneens bevestigd in artikel 5.89, §1, eerste lid BW: “Tenzij de wet anders bepaalt, mogen de partijen een beding overeenkomen dat de schuldenaar volledig of gedeeltelijk bevrijdt van zijn contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid.”
In de bouwsector zal Boek 6 BW een aanzienlijke invloed hebben. Er is daar immers zeer frequent sprake van de verhouding bouwheer – aannemer – onderaannemer. Naar huidig recht heeft de onderaannemer een rechtstreekse vordering jegens de bouwheer bij niet-betaling door de aannemer (artikel 5.110 BW). Door de voormalige quasi-immuniteit was er sprake van eenrichtingsverkeer van de onderaannemer naar de bouwheer. Het nieuwe recht zet dit eenrichtingsverkeer om naar tweerichtingsverkeer door de afschaffing van de quasi-immuniteit. De bouwheer krijgt een buitencontractuele rechtstreekse vordering tegen de onderaannemer, naast zijn contractuele vordering.
Ook bij overheidsopdrachten zal deze nieuwe regeling een invloed hebben. Zo kunnen de opdrachtnemers voortaan trachten de studiebureaus van de aanbesteder aan te spreken. Ook de leidende ambtenaren komen in het vizier. Om die reden verschijnen in de bestekken reeds clausules die de toepassing van de buitencontractuele aansprakelijkheid uitsluiten.
Belangrijk hierbij is de temporele werking van Boek 6 BW. De nieuwe regels zijn immers van toepassing op bestaande contracten. Het is dus aangewezen om deze contracten, zowel tussen de hulppersoon en de opdrachtgever als tussen de opdrachtgever en de benadeelde te herbekijken.
Nieuw foutbegrip
Een andere nuancering op het principe dat het nieuwe Boek 6 B.W. de overheidsaansprakelijkheid niet wijzigt, betreft het nieuwe foutbegrip in artikel 6.6. BW welke luidt als volgt:
Art. 6.6. Definitie
-
- 1. De fout bestaat uit de schending van een wettelijke regel die een bepaald gedrag oplegt of verbiedt of van de algemene zorgvuldigheidsnorm die geldt in het maatschappelijk verkeer.
- 2. De algemene zorgvuldigheidsnorm vereist een gedrag dat overeenkomt met dat van een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst.
Bij de toepassing ervan kan onder meer rekening gehouden worden met:
1° de redelijkerwijze voorzienbare gevolgen van het gedrag;
2° de evenredigheid van het risico dat de schade zich voordoet, haar aard en haar omvang ten opzichte van de inspanningen en maatregelen nodig om haar te vermijden;
3° de stand van de techniek en van de wetenschappelijke kennis;
4° de eisen van goed vakmanschap en goede beroepspraktijken;
5° de beginselen van goed bestuur en goede organisatie.”
Zo bevat §1 een definitie van het foutbegrip waarbij een fout de overtreding van een wettelijke regeling betreft dan wel een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsplicht. Bij de overtreding van een wettelijke regeling moet bij een overheid wel nagegaan worden in hoeverre deze regel een gebonden bevoegdheid betreft dan wel dat de overheid nog over beleidsruimte beschikt. In het eerste geval zal een overschrijding van de wettelijke bepaling volstaan om tot een fout te besluiten. De rechter beschikt over de volheid van bevoegdheid. Indien er een discretionaire bevoegdheid berust bij de overheid zal enkel een kennelijke onredelijkheid tot een fout leiden. De rechter beschikt hier enkel over een marginaal toetsingsrecht.
In §2 wordt een toetsingskader voor de algemene zorgvuldigheidsplicht ingevoerd. Tekortkomingen in het bestuur of de organisatie kunnen een schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht opleveren. Wat betreft de overheidsaansprakelijkheid beantwoorden deze beginselen aan de beginselen van behoorlijk administratief bestuur. Een overheid die de algemene beginselen van behoorlijk bestuur overtreedt, kan hiervoor aansprakelijk worden gehouden.
Een nieuw aspect betreft ook dat geen subjectieve vereiste meer geldt bij de beoordeling van een fout. Er moet niet meer wetens en willens gehandeld worden. Louter het voldoen aan het objectief criterium is voldoende om aan het foutvereiste te voldoen. Het subjectief bestanddeel van de fout kom wel nog tot uiting in bepaalde gronden van uitsluiting van aansprakelijkheid (zie artikelen 6.7 en 6.8 BW).
Afschaffing aansprakelijkheid voor gebouwen
Een nieuwigheid betreft ook dat de specifieke aansprakelijkheidsgrond voor gebouwen is afgeschaft. De aansprakelijkheid van de eigenaar van een gebouw voor de instorting ervan stond vroeger vervat in artikel 1386 BW. Binnen het nieuwe aansprakelijkheidsrecht is er geen wetsbepaling over deze specifieke materie. Hieruit kunnen we afleiden dat dit vanaf hede valt onder de aansprakelijkheid voor zaken, gewaarborgd in artikel 6.16 BW, dewelke stelt:
“Art. 6.16. Aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken
De bewaarder van een zaak is foutloos aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrek van die zaak.
De bewaarder is de persoon die de niet-ondergeschikte macht van leiding en controle heeft over de zaak. De eigenaar wordt vermoed bewaarder van de zaak te zijn, tenzij hij bewijst dat de bewaring bij een ander berust.
Een zaak is gebrekkig wanneer zij door een van haar kenmerken niet de veiligheid biedt die men gerechtigd is te verwachten in de gegeven omstandigheden.”
Dit betreft een foutloze aansprakelijkheid, waarbij een vermoeden geldt dat de eigenaar eveneens de bewaarder is. Het criterium gebrekkig kan als volgt beschreven worden: ‘door één van haar kenmerken niet de veiligheid bieden die men in de gegeven omstandigheden mocht verwachten’.
Sterkere preventie werking d.m.v. maatregelen opgelegd door de rechter
Een ander nieuw aspect dat ook bij overheidsaansprakelijkheid een rol zou kunnen spelen betreft de sterkere preventieve werking die voorzien wordt. Binnen het nieuwe aansprakelijkheidsrecht wordt nu duidelijk wettelijk bepaald dat het mogelijk is dat de rechter preventieve maatregelen oplegt om bijkomende schade te beperken. Dit waarborgt artikel 6.28 BW:
“Art. 6.28. Preventie van schade
De kosten van dringende en redelijke maatregelen door de benadeelde genomen om dreigende schade of de verergering van schade te voorkomen, vallen ten laste van de aansprakelijke of van degene die aansprakelijk zou zijn indien de schade zich zou hebben voorgedaan, ook wanneer zij vruchteloos zijn geweest.
De rechter kan de aansprakelijke een bevel of verbod opleggen dat erop gericht is om de verergering van de schade te voorkomen die zou kunnen ontstaan door de herhaling of verderzetting van het schadeverwekkend feit.”
De bijkomende schade moet dreigen te ontstaan door herhaling of verderzetting van een fout. Artikel 6.28 BW bepaalt dat de benadeelde de kosten kan terugvorderen die hij heeft gemaakt om dreigende schade of de verergering van schade te voorkomen.